In het gouden Herfst-Heuvelland, waar de Geul zachtjes fluisterde tussen mosgroene oevers, leefden drie nieuwsgierige koeien: Merrie, Bruintje en Sterre.
Elke ochtend stonden ze te kijken naar de wereld die veranderde.
De heuvels kleurden koper en rood, alsof iemand met een sprookjes-kwast de bladeren had aangeraakt.
Mist kroop als zachte melk over de weilanden, en het rook naar nat gras, herfstbladeren en lontzen (heuvellands woord voor frisse modderpootjes 😉).
Op een dag ritselde iets in het struikgewas langs de Geul.
Een klein windelfje sprong tevoorschijn, met vleugeltjes alsof ze van herfstbladeren waren gevouwen.
“Dierbare koeien,” fluisterde het elfje, “het Herfstlicht is bijna op. Als het verdwijnt, blijven de heuvels grauw tot de lente. Wie helpt mij het licht te vinden?”
Merrie blies een warme wolk uit haar neus.
Bruintje knikte langzaam.
Sterre de dapperste stapte naar voren.
“We helpen,” loeide ze zacht.
Het elfje sprenkelde glinsterende druppels op hun hoeven.
“Volg het lied van de Geul.”
En zo begonnen de koeien aan hun sprookjesreis.
Ze liepen door het Geuldal, langs oude boerderijen met rood-bruine daken, tussen dansende bladeren en kronkelende appelgaarden.
De Geul zong heel zacht met zijn kabbelend stromend water als een oud Limburgs slaapliedje:
Geul, Geul, fluister zacht,
Draag het licht door heuvels en nacht.
Bij een kromme notenboom aan de oever vonden ze het Herfstlicht:
een warme, gouden bol die straalde als de zon op een verse vlaai.
Sterre tikte het voorzichtig met haar neus.
Het licht steeg op, zweefde boven het Heuvelland en brak uit in duizenden fonkelende vonkjes.
De heuvels kleurden weer goud.
De mist glansde.
Een valk keek nieuwsgierig omlaag vol verwondering.
Het elfje boog diep.
“Dankzij jullie blijft de herfst magisch.”
En sindsdien, als je in de herfst langs de Geul wandelt
en koeien ziet lopen in het oranje licht,
zeggen de oude mensen fluisterend:
Daar lopen de Herfstwachters. Koeien uit een sprookjesachtig Heuvelland.
Met een magische groet,
De auteur
Jacqueline Fokken