De laatste weken heb ik thuis gezeten met, vermoedelijk, griep. Symptoom was in ieder geval dat ik enkele weken geen woord kon zeggen. Mijn sjattepoemel heeft een heel rustige tijd gehad. Gevolg was ook dat ik nogal wat uurtjes doelloos op de bank lag. Ik vulde de dag met kritiekloos zappen. Ik zag meer nieuws dan me lief is. Nu ik langzamerhand weer opkrabbel, merk ik dat de miesjmasj aan informatie, die er over me uitgestort werd, weer een aantal deuken erbij geslagen had in mijn doorgaans redelijk opgewekte kijk op ’t leven. En dan heb ik het niet eens over volkssport nummer één van het laatste anderhalf jaar: het collectief oneens zijn met elkaar van de 17 miljoen deskundigen van ons land. Vanaf het moment dat Mark Rutte bij de eerste coronapersconferentie opgewekt in de microfoon kwekte dat WIJ hier in Nederland, in tegenstelling tot de rest van de wereld, kozen voor een ‘intelligente’ lockdown, bleken er 17 miljoen soorten intelligentie te bestaan. Allemaal intelligenter dan Mark. Dat schiet niet op als je eendrachtig een klus moet klaren. Maar ach, ik heb geleerd me over dát soort priegelarij niet meer dik te maken, dat hoort bij ’t vermoeiende kruimelwerk dat Mark ijzerenheinig ‘onze vastberaden optimistische volksaard’ blijft noemen. Ik zag intussen, wat groggy op de bank, berichten en beelden voorbijkomen van veldslagen in talloze steden en dorpen. Brandende auto’s, geplunderde winkels, zwaargewonde agenten, fietsen door voorruiten gesmeten. Ik hoorde het iemand ‘uit de hand gelopen protesten’ noemen. Uiteraard in steden als Rotterdam. Vreemd dat er in mijn beoordeling van de ernst van die beelden altijd zo’n bijgedachte insluipt, ‘tja Rotterdam, daar kan ik me iets bij voorstellen’. En als ze vertellen dat ’t in Urk is, denk ik ‘Geen wonder: Urk’. Maar nu noemden ze in één adem ook Roermond en Stein in ’t rijtje. Of all places: Stein. Uit de hand gelopen protesten, compleet met het aanvallen van blussende brandweerlieden, een plavuis door de ruit van een ambulance met een patiënt aan boord. Allemaal uitingen van ‘onze vastberaden optimistische volksaard’. ‘Foei!’ roept Grapperhaus, ‘dit pikken we niet’, maar ik zie dat we ’t steeds meer en steeds erger pikken en dan gaan deskundigen en politici rond een tafel zitten. Die hebben verklaringen en oplossingen. Ik weet dan niet wat ik erger vind: hun verklaringen of hun oplossingen. Er volgen eindeloze Kamerdebatten, waar de toon soms van een niveau is, waar je vroeger de klas voor uitgestuurd werd. ’t Levert stemmen op, dus dat stopt voorlopig ook niet. Maar opeens komt dan ’t bericht, dat leerlingen van ’t Sophianum spontaan snoep hebben ingezameld, dat ze bij verschillende instellingen aan het zorgpersoneel zijn gaan uitdelen. ‘Zomaar’. Als blijk van waardering. Zij leerden hoe goed dat die zorgers deed en schrokken van de werkelijkheid in hun verhalen. Yes! dacht ik. Misschien dacht jij dat óók. Misschien moeten we, behalve de laatste regels, de rest van deze column dus maar gewoon uitgummen. Omdat DIT goed voelt. Juist nu. Zelfs als je griep hebt.
Françoise