Ik heb geen verstand van politiek, niet van de wereld, niet van economie. Voor mijn gevoel snap ik wat simpele dingen die er gebeuren soms best, maar ik heb het er verder niet over, want dat levert doorgaans een afkeurende reactie zonder woorden op, die aan duidelijkheid toch niets te wensen overlaat en soms laten ze ook met woorden merken dat ik te dom ben om over echte problemen een mening te hebben, laat staan dat ik er over zou mogen meepraten. Ik heb een keer naast de voorzitter van een schoolbesturenclub gezeten en die vertelde dat ze een jaar nadat ze vele tonnen in een school geïnvesteerd hadden die school gesloten en opgedoekt hadden. ‘Volgens mij’ zei ik en ik zag hoe mijn sjattepoemel, die er naast zat, verschrikt in mijn richting keek. ‘Volgens mij moeten jullie eens in gesprek met de vroedvrouw’ vervolgde ik. De voorzitter keek me vragend aan. Mijn schat liep rood aan. Waarschijnlijk van schaamte voor zijn vrouw en de angst voor wat ik ongetwijfeld nog meer zou vertellen. ‘Hoe bedoelt u, mevrouw?’ zei de voorzitter. ‘Nou. Als u een jaar na een forse investering in een school opeens de boel sluit, dan hebt u kennelijk iets niet voorzien, hé?’ ‘Ja, en wat heeft dat met die vroedvrouw te maken?’ ‘Als u eens ging praten met de vroedvrouw, dan kon die u zó vertellen hoeveel kindertjes er over vijf jaar bij u voor de deur staan.’ ‘Ik ben bang dat u dat toch iets te simpel ziet, mevrouw’. Ik vertelde hem dat ik wel eens geleerd had dat regeren vooruitzien is en dat een gesprek met de vroedvrouw in zijn geval hem mogelijk zou kunnen helpen vooruitzien. ‘En dus beter regeren’ zei ik er vals achteraan. Hij kwam met een heel verhaal over vrije schoolkeuze van ouders, strategische investeringen om via sturen van leerlingstromen elders kwakkelende scholen rechtop te houden. En dat allemaal op een toontje van ‘mens, klets niet over dingen waar je geen verstand van hebt, we weten écht wel wat we doen’. Ik vroeg hem hoe het dan kwam dat ze in vier jaar tijd al op drie verschillende plaatsen voor miljoenen misrekeningen hadden gemaakt op grond van kennelijk foute prognoses. Hij snoot z’n neus en legde de man die aan de andere kant naast hem zat uit dat zijn belangrijke taak moeilijk was uit te leggen aan ‘de gewone man’. En daarna ging het over Roda. Ik zweeg maar, want over Roda weet ik niks zinvols te zeggen. Op de terugweg naar huis zei mijn schat zuinigjes tegen me ‘dat ik me misschien beter niet kon mengen in discussies waar ik geen weet van had’. ‘Die voorzitter krijgt adviezen van dure bureaus, die hebben daarvoor geleerd’, zei ie. ‘Tja’ zei ik lief ‘Maar voor kindertjes tellen hoef je niet echt lang geleerd te hebben. De vroedvrouw vertelt je de uitkomst voor niks’. Mijn sjattepoemel schudde zijn hoofd. De rest van de thuistocht was het stil. En ik dacht aan de vroedvrouw.