Vroeger had je pesters in de klas. Helaas heb je die tegenwoordig nog volop, begrijp ik. Ik zat vroeger aan de kant van degenen die gepest werden. Het zal iets met mijn omvang te maken gehad hebben: in bepaalde episoden heette ik ‘hammetje’ en in andere tijden werd ik ‘Betsy Turf’ gedoopt. En nog steeds: in vergelijking met mijn omgeving ben ik tamelijk vooruitstrevend. Als het om de buik gaat. Ik kon het anderen toen moeilijk kwalijk nemen dat ze dikke kinderen dik noemden. Ik werd in sportkringen trouwens ook altijd als laatste gekozen als er partijen gemaakt moesten worden. Sterker, bij de verdeling kreeg de tegenpartij mij cadeau. Soms riep dan één van die pesters ‘we zetten Hammetje in de goal; daar komt geen bal langs!’ Ik vond dat eigenlijk wel een geslaagde mop en ging dus braaf in de goal staan. Niet omdat ik kon keepen, maar dan hoefde ik tenminste niet te rennen. Gelukkig had ik een redelijk vlotte babbel, waarmee ik pesters verbaal behoorlijk van repliek kon dienen en ik had nogal eens ideetjes, die anderen spannend vonden en waar ze graag bij meededen. Dat hield mijn gevoel van eigenwaarde weer een beetje in evenwicht. De echte pestkoppen kozen naast mij ook klasgenootjes die op andere manieren afweken, die gekleineerd werden, getreiterd, uitgescholden en maar al te vaak mishandeld en geslagen. Bij die aftuigsessies stonden altijd een aantal grieten die juichten en aanvuurden. Dan hoorden ze tenminste niet bij de slachtoffers, maar zaten veilig bij de pestgroep, die de dienst uitmaakte. Als je je aansloot bij de sterkste, maakte het zelfs niet meer uit dat de sterkste loog, onuitstaanbaar was, onbetrouwbaar, willekeurig. Wij wonden ons vroeger wel eens op over die onrechtvaardigheid, maar wisten nauwelijks dat slachtoffers doodongelukkig werden, jaren, soms hun leven lang, leden onder dat gedrag. Anderzijds: pas later kwam ik erachter, dat als die pestkinderen volwassen werden, ze nog stééds pestten, op het werk, op de straat, bij hun hobby’s. Ik ontdekte dat sinds de komst van social media de pestgolven, de haatzaaierij, de framing, het zondebok zoeken niet verdween maar juist razendsnel aanzwol tot ongekende proporties. Ruzies op het schoolplein worden met messteken beslecht, er worden revolvers gekocht, er worden bommen gelegd. De ophitsers van de speelplaats verplaatsten zich naar internet, ze spuiten hun gif in heel vileine boodschappen, die van ‘leuk doen’, naar ‘beschuldigen’ verschoven, bedreigingen werden. Het stopte niet meer op de straat of het voetbalveld, het kwam terecht in de hoogste regionen. Tot in de Tweede Kamer. Als grootste treiterende pestkop kun je Amerikaans president worden. Hij was de sterkste, dus hij kon rustig dreigen, liegen, beledigen. Vroeger zag de hele klas ’t en keek fluitend de andere kant op. Nu heet de hele klas de VN. En die hoorde ’t aan en zweeg. Op de speelplaats golden wel andere wetten, maar niemand haalde het indertijd in z’n hoofd om dat normaal te vinden. Laat staan wenselijk. Nu wel. Nu de Lagere School De GroteMensenwereld is geworden, nu wel.