Vorige week vertelde ik dat de bovenlaag van ’t leer van onze peperdure bank na een jaar los laat. Dat is, zegt de winkel, onze eigen schuld: we gebruiken medicijnen. De enige uitsluiting die IK in de garantiebepalingen vind, die een béétje in die richting zou kunnen wijzen is: ‘ik mag geen agressieve stoffen op het leer gebruiken’. Nu snap ik dat ik geen vlekje met zoutzuur mag verwijderen, maar dat ik niet op een bank mag gaan zitten als ik pillen slik, is iets heel anders. Als ik op internet artikelen lees ‘dat dit een veel voorkomend en vaak onderschat probleem is’ en als de conclusie niet alleen bij de verkoper, maar ook bij de koper dan wordt: ‘da’s dan dikke pech’, word ik daar moedeloos van. Wat dan weer schadelijk is voor mijn bank want antidepressiva vreten natuurlijk ook ’t leer van m’n dure meubelstuk. Het mannetje, dat de winkel langs stuurde, vertelde dat transpiratievocht zich mengde met chemische stoffen in medicijnen. Toen ie daarna poeslief aan mijn sjattepoemel begon te vragen ‘zweet u wel eens?’, voelde ik dat ie ons weer een hoekje van de bank op duwde, waar ik niet wilde zitten. Dat er aan het zweet van mijn man een luchtje zit, weet ik zelf al héél lang, maar als door dat zweet mijn bank naar de ratsmodee gaat, dan is ’t geen luchtje meer, dan stinkt ‘t. En dan bedoel ik NIET mijn man. Af en toe sta ik helemaal perplex als ik hoor, hoe leveranciers of producenten zich onder verantwoordelijkheden uit lullen. Toen in Gulpen het zwembad gerenoveerd werd, begonnen na een jaar de deurtjes van de kleedhokjes op te zwellen van ’t vocht. ‘Tja, jullie spuiten daar ook met wáter!’, was ‘t verweer. In diezelfde tijd vielen grote stukken uit ’t nieuwe stucwerk van een loopbrug over de Wildwaterbaan. ‘Tja, jullie gebruiken chloor’, zeiden ze. Daar moest ik aan denken, toen die gozer over ’t zweet van mijn schat begon. We hielden ons hart dan ook vast toen het mannetje van de winkel tenslotte een mannetje van de fabriek ging sturen. We hadden ons al helemaal ingesteld op een keihard juridisch gevecht en wij zouden onze huid minstens zo duur verkopen als zij hun leer. En jawel hoor, ’t mannetje zag de plek en vroeg. ‘Gebruikt u medicijnen?’ ‘Jawel’ zei mijn schat, ‘spul voor suikerziekte?’, ‘Chemotherapie?’. ‘Nee’ zei mijn schat. ‘Aha’ zei ’t mannetje ‘Ik overleg met de technische afdeling. Dit moet natuurlijk opgelost worden. De bank moet terug naar de fabriek’. Daar zat ik met mijn geladen kanonnen. ‘We laten u snel iets weten’ zei ’t mannetje, ‘fijne dag nog’. Hij vertrok en liet ons achter met ’t donkerbruine vermoeden, dat er nog een derde deel gaat volgen van deze column. Maar daar maken we ons even niet druk om, want dan vraagt een volgend mannetje of we ons misschien opgewonden hebben en wat we dan daarvoor slikken. En tien tegen één dat DIE pilletjes dan weer wél bankstellen vreten.
Françoise