De horeca had en heeft ’t zwaar. Donderslag bij heldere hemel riep iemand in Den Haag doodleuk ‘vanaf 8 uur gaat alles op slot’. Eéntje had nét op dat moment de openingsavond. Een bevriend koppel had nét een verschrikkelijke rotzooitent in Nijswiller met eigen handen omgetoverd tot hun Syrisch restaurant en wilden dus gewoon open. Boem! Iedereen verzon talloze creatieve uitvindingen, afhaalservice, bezorgen, koffie en snacks to go. Terrassen mochten open, terrassen moesten weer dicht, kroegen mochten open tot 6 uur, tot 7 uur, tot 10 uur. Hoera. En moesten weer dicht. Je zult in die tijd maar horecaondernemer zijn. Je personeel gaat noodgedwongen elders emplooi zoeken, vindt dat ook. Als de eerste lock down voorbij is, komt een groot deel nog terug naar hun oude stek, een deel niet. Maar dan komt de tweede lock down en dan vindt een nóg groter deel het welletjes. De schreeuw om horecapersoneel, die er al was vóór we überhaupt wisten wat het woordje corona betekende, bleek in veel gevallen, na de coronatsunami, een schreeuw van de Roepende in de Woestijn geworden. De horeca had en heeft ’t zwaar. Maar WIJ, wij armen, wij hadden allemaal geen kroeg meer, geen restaurant, geen Aperol met vrienden in de zon, eerst door de lock downs uit Den Haag, toen door het gebrek aan goeie horecamensen. Want dát blijft natuurlijk een zeldzame soort: mensen die je laten voelen dat je welkom bent, mensen die jouw wensen van je gezicht aflezen, die je verrassen met speciale lekkere hapjes, die je aangenaam bezig houden, je nieuwtjes vertellen, belangstelling hebben. Een goeie ober is niet alleen de man die je biertje en koffie brengt en afrekent, hij is wat ik net noem allemaal. Tegelijk. De goeie serveerster is degene die, als ze naar buiten loopt met de koffie voor tafel 11, tafel 1 tot 15 heeft gescand of daar iemand zit met vragen, een bestelling of wil afrekenen. Die loopt op de terugweg niet met lege handen langs een tafel vol afwas of vlekken. Die herkent je, weet wat je vorige vakantie bestelde en waar je vandaan kwam. Kelly, je weet wel toen die decennia geleden nog de Boss in De Zwarte Ruiter was, vroeg mij ooit of ik melk en suiker in de koffie wilde, toen ik zei dat ik dat niet hoefde, zei hij ‘Dan kriegs dich twee keukskes’. Sindsdien kreeg ik van hem twee koekjes bij de koffie. Altijd. En niet alleen van hem, elke serveerster, ook de nieuwe, bracht mij koffie met twee koekjes. Sterker, Toen Connie een eeuwigheid later in De Ruiter kwam, kreeg ik van haar twee koekjes. Bij Ober Eelco die zelf een restaurant startte kreeg ik op zijn terras koffie met twee koekjes, óók van obers, die me nog nooit gezien hadden. Zonder iets te zeggen. En Maxi, die het verhaal ooit gehoord had deed het in háár zaak ook. Kijk, dát soort zoeken… a hell of a job. Maar….. ze zijn er nog……… En dat ik zo dik ben ligt dus aan Kelly.
Françoise