Ik ben niet echt ijdel. Ik zou niet eens weten waarop mijn ijdelheid gestoeld zou moeten zijn. Ik heb een tijd in gemeentelijke kringen doorgebracht en het toenmalige hoofd Openbare Werken vertelde me tijdens een feestje ‘dat mijn voorgevel niet door de Welstandscommissie kwam’. En dat hoofd had er verstand van. De lillijkerd. Maar hij had gelijk. Ik heb van mijn ouders best mooie eigenschappen geërfd, maar van het doosje met esthetische schoonheden zag je de bodem onmiddellijk. Daar zat geen scoringsmateriaal in. Niet ten aanzien van lengte, niet van omvang, mooi gezicht, weelderig kapsel. Maar wij zongen vrij goed, wij hadden gevoel voor taal en organiseren en de doos met sociale vaardigheden en empathie was goed gevuld. Dat was voldoende reden om toch glunderend door het leven te gaan met een maatje meer en met een kapsel, dat door een kapper slechts met grote moeite en bescheiden resultaat een beetje opgefluft kon worden. Dat hield maar tot de deur van de kapsalon. Bij het deurgat föhnde de wind er meteen weer Coupe Ravage in. Dat had mamma, dat hadden haar negen kindertjes ook. Geen redenen om ijdeltuiterig te doen, maar dat wilde niet zeggen dat we ons nergens voor geneerden. Dat deden we wél. Mijn moeder kon na de aanleg van een paaskapsel bij de kapper rustig over straat wandelen met zo’n afgrijselijk plastic hoofddoekje over de permanent, zodat die coiffure ’t tenminste tot aan ’t Paasontbijt zou volhouden. Mamma schaamde zich nergens voor. Ik wel. Ik ging dan op de andere stoep lopen. Dan zei ze wel, dat de koningin van Engeland ook met zo’n fieselijk kapje op d’r koninklijke hoofd liep, maar dat mens was m’n moeder niet en daar hoefde ik niet naast te lopen. Ook ik heb mijn esthetische grenzen. Een beetje ijdelheid is me dus toch niet helemáál vreemd. De haren spelen daarin een hoofdrol. ’t Zijn sowieso al dunne femeltjes, maar als ze nat geworden zijn of als er een hoofddeksel op gestaan heeft, schaam ik me dubbel te blubber. Toen ze campagnes begonnen om op de fiets helmen te gaan dragen, hield ik m’n hart vast. Als ze dat zouden gaan verplichten, zou ik niet meer gaan fietsen, besloot ik. Een paar weken terug duikelde ik om 12 uur ‘s nachts na een repetitie van de fiets en kwakte met een smak op het Kerkplein. Ik landde op m’n kin. Achteraf bleek de kaak gebroken, maar in ’t begin maakte ik me vooral zorg over het bloed dat uit mijn rechteroor kwam en maar niet wilde stoppen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, zeggen ze wel eens, maar ’t kruipt kennelijk ook als je niet fietsen kan. Ik had visioenen over beschadigde hersenen. Verplegers en dokters die de ravage beoordeelden, hadden iets triomfantelijks in hun stem als ze zeiden ‘Geen helm zeker, hé?’ Ze hebben gewonnen: ik ga met zo’n maffe potdeksel op m’n kop fietsen. Waarmee de hoop op mijn laatste restje ijdelheid nu ook ijdele hoop geworden is.