Midden in Maastricht. In de Grote Staat komt ons een enthousiast zwaaiende vrouw tegemoet. ‘Nee, dat ik JOU weer eens ontmoet!‘ roept ze van verre, ‘Geweldig! Geweldig! Hoe is ’t met jou?’ In een vliegensvlugge blik van nog geen milliseconde kijk ik vragend naar mijn sjattepoemel, met de inmiddels voor hem vertrouwde vraag in mijn ogen ‘Wie is DIT nou weer in godsnaam?’. Dit soort ontmoeting overkomt ons vaak; we zijn geoefend in deze vliegensvlugge blikken. Hij seint naar mij terug ‘Ik zou het bij god niet weten!’ De vreemde dame staat inmiddels bij me. ’Françoise, kind, hoe gaat ’t nog met JOU?’ Ik mompel iets van ’ Nou, ik heb niets te klagen’. Ik zie haar man naderbij komen. Ik kijk wanhopig of ik dáár misschien een spoor van herkenning in kan vinden. Van hém heb ik het idee ‘m al eens gezien te hebben. Mannen met zo’n lelijk brilmontuur onthoud ik. ’t Mens tegenover me kwebbelt intussen lustig door ‘wat leuk jou weer te ontmoeten, je bent geen spát veranderd!’ Zo’n mededeling dat ik geen spat veranderd ben, doet het bij mij altijd goed. Al weet ik in de meeste gevallen dat zo’n melding gelogen is. In dit geval ligt dat moeilijker, want ik heb geen idee wanneer ik ’t goeie mens daarvóór ontmoet heb. Ik heb voor dit soort situaties inmiddels een routine ontwikkeld om met wat richtvraagjes erachter te komen in welke context of tijd ik zo’n kennelijke bekende volstrekt onbekende ben tegengekomen, maar ze is mij vóór en legt de bal bij mij. ‘Dat is toch wel een héle tijd geleden, hé?’ Misschien heeft ze aan mijn schaapachtige reactie gezien dat ik er geen idee van had ‘Ik weet ’t nog als de dag van gisteren’ kirt ze gelukkig zelf door: ‘die bruiloft heb ik nog levendig voor de geest staan’. Aha, denk ik, een bruiloft; ik heb kennelijk het mens in de echt verbonden als Ambtenaar Burgerlijke Stand. Nou heb ik er inmiddels wel een paar honderd getrouwd, dus een écht houvast geeft dat ook niet, maar kennelijk heeft die trouwerij indruk gemaakt, dus die herinnering ga ik dan niet in diggelen trappen met ‘tja, dat zal wel, maar IK weet er niks meer van’. Ik zeg dus iets in de trant van ‘Zo te horen zit het met dat huwelijk nog steeds snor’ ‘En hoe! En hoe!’, kirt ze, ‘Annie en Jos zijn nog stapel op elkaar!’ Ik denk koortsig na, wie Annie en Jos nou weer zijn. ’t Blijken haar dochter en schoonzoon te zijn. Een huwelijk van 15 jaar geleden. En zij denkt dat ik na 15 jaar de moeder van de bruid nog ken. Ik camoufleer kundig dat ik er totaal geen idee van heb en zij neemt, dolgelukkig over onze hernieuwde ontmoeting, afscheid. ‘Wat zal Annie DIT leuk vinden!’ roept ze nog. Ik knik. Mijn sjattepoemel heeft zich afzijdig gehouden ‘Annie?’, zegt ie ‘Wie is Annie?’. ‘Ik heb geen idee’ zeg ik, ‘maar Annie gaat dit heel leuk vinden…..’