Ik had afgesproken op de Markt in Gulpen met een tweetal mensen waarmee ik nader overleg moest hebben over een verhaalontwerp van een Revue. Het was vreselijk koud op de Markt. Snijdende wind. Ik had afgesproken aan de rand van de plek waar de Gulp zichtbaar door het dorpscentrum stroomt. Extra voor de toeristen. Een gat in de Markt. Ik stond naast de plek met die twee grote bronzen bogen met de torso van een paard ervoor. Nou ja, ik neem dan maar aan dat ’t een paard is, want het beeld is van Arthur Spronken en die is gespecialiseerd in paarden. Mijn paardengok berust dus meer op kans berekenen dan op herkenning. Dit is op z’n gunstigst een geslacht paard. De waterval, die normaal onder die bronzen dubbele poort de Gulp in klatert, zweeg op dit vroege tijdstip. De wind werd kouder. Ik schatte in dat het nog onder 0 was. De Markt lag er verlaten bij; nergens een mens te bekennen. Voor de variatie was ik eens vroeger dan afgesproken. Ik viel mezelf mee; normaal ben ik van het Limburgs kwartiertje. Vanaf de Rijksweg kwam een oude man, die een nóg oudere man in een rolstoel duwde. Het tweetal had kennelijk belangstelling voor het riviertje dat zich door het centrum haastte, want de begeleider duwde zijn gehandicapte metgezel tot aan de kaderand en beiden staarden naar het snelstromende water. Ik keek om me heen of mijn afspraak inmiddels al gearriveerd was, maar er was in de verste verte niemand te bekennen. Toen ik weer in de richting van de twee aan de kade keek, schrok ik vreselijk. De man in de rolstoel boog zich voorover waardoor de rolstoel richting het kademuurtje rolde. De begeleider realiseerde zich dat z’n kameraad met een klap tegen het muurtje zou belanden en sprong, voor zijn leeftijd nog aardig kwiek, naar voren om de rolstoel tegen te houden. Mijn adem stokte in mijn keel toen ik zag hoe zijn actie kennelijk mislukte, hij struikelde, viel half over de man in de rolstoel, schoot door over diens schoot, tussen de reling op de kademuur en met een doffe plons hoorde ik de ongelukkige ziel buiten mijn blikveld in het water, een paar meter lager, belanden. De man in de rolstoel liet een forse vloek horen, ik rende naar de waterkant, de man lag naast een paar rotsblokken in het water en bewoog niet. Ik rende om en snelde bij De Kroon de trappen af, bedacht me geen moment en sprong het ijskoude water in, richting de begeleider, die intussen weer opkrabbelde. Ik bukte, pakte hem vast en trok hem omhoog. Hij kon net de kaderand grijpen, klauterde tegen de muur omhoog, zwaaide en verdween fluitend met zijn rolstoelvriend. Ik stond verbijsterd tot mijn navel in het ijskoude water. Op dat moment werd ik wakker. Ik weet zelden wat ik droom, maar die éne keer dat ik ’t wel doe, blijk ik dus wéér geen heldin te zijn. De volgende keer laat ik ‘m liggen.
Françoise