Henk Haan had op zijn boerderij ook een geit, die heette Gitte, met zo’n leuk klein staartje. Die geit was er speciaal om een wei waar veel onkruid groeit, schoon te houden. Geiten eten wel distels en brandnetels en boterbloemen. Paarden en koeien zijn veel te verwend om die te eten. Gitte was best blij met haar eigen wei en stal want ze hoefde niet mee te werken op de boerderij, ze was er alleen maar omdat het een leuk geitje was. Maar omdat ze niets te doen had, verveelde ze zich vaak. Dan liep ze te méhéhéhékeren dat ze geen vriendje had. Als ik nu net zo’n mooie lange staart had als Harry Hond kreeg ik vast wel een vriendje. Wie wil er nu een beest met alleen maar een raar kwastje boven haar billen. Ik kan er niet eens me kwispelen alleen maar wiebelen. Ja en als je je verveelt dan blijf je in rondjes denken, geen staart, geen vriend, geen spelletjes spelen, niet samen kweppen. Zo bleef ze denken, ze kreeg er hoofdpijn van en liep te méhéhéhékeren. Het hield maar niet op. Henk de boer en Henny de boerin verwende Gitte zoveel ze konden, maar snapten niet waarom ze maar bleef méhéhéhékeren. Soms als ernaast in de grote wei paarden of koeien stonden ging ze bij haar draadhek staan en kon ze een beetje kweppen met de grote dieren. Dan voelde ze zich niet zo alleen en werd ze een beetje rustiger. Ze mocht niet uit haar eigen weitje want geiten kun je niet tegenhouden met alleen maar twee of drie draden zoals bij een paarden en koeien wei. Geiten en schapen moet je met een gaashek tegenhouden. Toen Henk en Henny merkten dat Gitte rustiger werd als er ander dieren bij waren zei Henk, we moeten maar een tweede geitje kopen als gezelschap voor Gitte. Dat is goed zei Henny, maar wel geen geitenbokje we willen geen kleine geitjes erbij. Want die jongens willen allemaal hetzelfde.
Zien ze een leuk geitje, staan ze in een rijtje.