Op televisie loopt een programma over grote gezinnen. Ze hebben daar totaal verschillende gezinnen voor uitgekozen. Bij de ene club trekken bij mij de tenen krom, bij de andere maakt mijn hart regelmatig een huppeltje. Het ene ouderpaar hangt een aureool van pedagogisch verantwoord opvoeden rond hun gedrag, terwijl ik ze nauwelijks betrap op een moment dat ze consequent handelen. Hun daden hebben zelden iets met hun quasi deskundige theorieën te maken. In een ander huishouden regeert de leer van De Heer, maar trekken bij de opvattingen van de heer des huizes, bijvoorbeeld over de rol van man en vrouw en de daarbij passende opvoeding de rillingen over mijn rug. Er is ook een familie waar de vreugde van afspat. Die geniet van de kleinste dingen: ze relativeren, maar leren al lachend zichzelf en elkaar te ontwikkelen. Ze verzinnen van alles om van alles een feestje te maken. Wat de verschillende deelnemers bindt is uiteraard het grote aantal kinderen dat op een relatief klein oppervlak met elkaar moet zien uit te komen. We kijken af en toe verbaasd naar het gekrioel, de herrie, de ruzies en de logistieke problemen om de organisatie lopend te houden. Dat roept bij ons een mengelmoes van ‘hoe bestaat het?’, ‘Ik zou er gek worden’ en ‘petje af’-reacties op. Dat is eigenlijk vreemd. Ik kom zelf uit een gezin van negen kinderen, mijn sjattepoemel uit een nest van elf. Me dunkt dat er dan toch zeker enige vorm van herkenning in zou moeten zitten. Vreemd genoeg niet. Kennelijk hebben we, of in ieder geval ik, in de loop der jaren een grote afstand van genomen van die grote-nest-ervaring. Wij hadden met gemak een behoorlijke bijdrage aan zo’n televisieserie kunnen leveren. Wij hadden een behoorlijk groot huis met drie slaapkamers op de eerste verdieping en een loei van een zolder erboven. Op die zolder had pappa nog een kleine slaapkamer en een hele grote slaapkamer gemaakt. Dat lijkt dus behoorlijk wat ruimte, maar wij hadden bij de kinderschaar ook nog drie studenten van de Landbouwschool in de kost en zie de ruimte dan nog maar eens te verdelen. En dan ook nog zo dat je, volgens de toen geldende strenge scheiding der seksen. de broertjes en zusjes en vooral de landbouwstudenten en de zusjes voldoende uit elkaar kon plaatsen. Af en toe heb ik behoorlijk veel moeite om te reconstrueren, waar iedereen sliep. Die studenten gingen naar die grote zolder. Pappa had daar een prachtige kasteelkamer van gemaakt, met bogen, pilaren, nissen. Allemaal opgebouwd uit nepsteentjes, uitgevoerd in zachtboard. Wij hadden alleen een kachel in de huiskamers onder, dus die studenten moesten daarboven de boel warm stoken met een petroliekacheltje waar je ’t nauwelijks warm, maar wel koppijn van kreeg. Met al dat zachtboard was de tijd tussen ontbranding en uitslaande brand waarschijnlijk 2 seconden. En als de petroliekachel dat niet deed had de elektriciteitsaanleg van pappa, de draden los achter het zachtboard, daar makkelijk voor kunnen zorgen. Zie je: ik heb al één aflevering vol.
Françoise