Wie zegt ‘Ik geloof’, zegt vaak iets tegenstrijdigs. ‘Geloven’ klinkt als ‘iets zou best wel eens zo kunnen zijn’, maar vaak is iemand die ‘Ik geloof’ zegt, juist ergens heilig van overtuigd. Met de nadruk op heilig. Vooral als ie gelooft in een Geloof. Zijn eigen geloof is waarheid, wat een ander gelooft is dus niet waar. Is dat ernstig? Nee. Er zijn in ’t leven wel méér dingen waar verschillend over gedacht wordt. Maar de geschiedenis leert dat wanneer geloven tot zekerheid wordt verheven de tramalant vaak begint. Heel vaak worden andersdenkenden minderwaardig verklaard, weggepest, vervolgd, verbannen, gedood, uitgeroeid. Dat lijkt lang vervlogen geschiedenis, maar bestaat nog. SS en IS verschillen maar één lettertje, maar stonden, de één 70 jaar eerder dan de ander, voor massamoord op ‘een fout geloof’. Maar lang daarvóór werden christenen voor de leeuwen gegooid in Rome en lang daarna journalisten doorzeefd bij Charlie Hebdo. En na de Oeigoeren in China zullen er nog veel volkeren volgen die worden vervolgd. Met ’t geloof als alibi. Da’s gek. Ik heb ’t geloof met de paplepel ingegeven gekregen en dat altijd als een liefdevolle boodschap aangevoeld. Terwijl zowel de geschiedenisboekjes als de kranten vol stonden met voorbeelden van het tegendeel. Ook de eigen club moordde er lustig op los. Ze vervolgden “Ketters”, vierendeelden, brandstapelden, gooiden ongelovigen in kokende olie en hielden kruistochten. Heel gek. Mijn geloof erfde ik voornamelijk van Mamma. Die vertelde nooit over brandstapels en kruistochten. Die liet ons in de Meimaand een novene houden voor Maria. Alle kinderen op de knieën in de huiskamer. Ik heb nog kuiltjes in de knieën zitten van de ruwe kokosmat, want een rozenkrans bidden deed je niet in vijf minuten. Geloven was thuis geen vraag, geloven deed je. Zo goed als kerkgang, processies, vasten. Vasten heette 40 dagen afzien, maar dat slonk snel naar vrijdags geen vlees maar vis eten en snoep door de week in een Maggiblikje sparen voor de zondag. We waren trots op heerooms en een heerbroer. Dan behoorde je tot de nette lui. Dat is nu allemaal heel anders. Tegenwoordig kijken ze je vreemd aan als je vertelt dat je broer missionaris is. Geloven wordt steeds meer iets geks. Er wordt steeds minder aan gedaan, maar, dat dan weer wél: Mensen van ander geloof blijven onveranderd zwaar verdacht. Zelfs als ze dingen doen die wij vroeger wel verkondigden, maar zelden of nooit deden. Ramadan houden bijvoorbeeld. Ik heb, zoals jullie weten, vrienden die een Syrisch restaurant hebben. Die zijn Moslim. Die ‘vieren’ dadelijk Ramadan. Als je in hun restaurant binnenstapt, kringelen de heerlijkste geuren je tegemoet uit de keuken. En zij staan daar dadelijk 30 dagen lang van ’s morgens vroeg tot ’s avonds in te koken. Zonder te eten of te drinken. De hele dag tussen het heerlijkste eten. Ik geloof dan wel niet, maar ik geloof dat DAT afzien is. Ik geloof dat DAT vasten is. Of, eigenlijk, ik gelóóf dat niet: dat weet ik zeker. Ik ben maar een simpele ongelovige
Françoise