Uit de doos met ‘familierelieken’ van mijn oudste broer viste ik vorige week wat zaken die wat meer onthulden over de familie van vaderszijde. Een heeroom had de hoofdrol. Ik had het over zijn vele onderscheidingen, zijn status, zijn welgesteldheid. Waarschijnlijk ten bewijze dat er ook in onze familie nette mensen zaten. Maar ik beloofde ook wat nader in te zoomen op de foto’s van die kant. De foto’s die er waren, waren doorgaans groepsfoto’s bij familiefeesten. En in dit geval had je het dan over stevige groepsfoto’s. De vermenigvuldigingsfactor in die familie was hoog. De groep stond doorgaans keurig gerangschikt. Vooraan de belangrijksten, meestal een bruidspaar en naast hen ouders, grootouders, hoogwaardigheidsbekleders. Die rij zat meestal. Achter hen stonden de generatiegenoten van die belangrijksten, omes, tantes. Allemaal op z’n paasbest uitgedost, allemaal gespannen naar het vogeltje kijkend, dat de fotograaf zei dat er in zijn toestel zat. Toen was fotograferen nog een gebeurtenis. In de camera’s van onze mobieltjes zitten geen vogeltjes meer. Achter de staande rij ouwe omes en tantes, stonden de jongere garde en de volgende generatie op wankele stoelen. Dat was de verticale rangorde en daarbinnen was dan weer een centrale rangorde: hoe meer je in ’t midden stond of zat, hoe belangrijker je was. In deze familietak, zoals in zovele katholieke families viel dan op dat in de voorste en middelste geledingen vaak witte boordjes zaten. Priesterboordjes wel te verstaan. Soms van lui die helemaal niet bij de familie hoorden, maar dat was dan de pastoor die die ochtend de feestmis had opgedragen. Maar ook de heerooms zaten in die slagorde op de ereplaatsen. Terwijl de rest van hun generatie bovenop de achterste stoelen of op de rand van de foto moest. Mijn vader en moeder stonden op de rand of ergens achterin. De heerooms niet, die behoorden met dat boordje tot de fine fleur. Dat lijkt een terloopse omstandigheid, maar die kleurde het leven stevig in. Het gezin waarin mijn vader opgroeide at altijd met z’n allen in de enorme woonkeuken van de boerderij. In die boerderij was echter ook een ‘opkamer’, waar mooie meubels stonden, een oude tingeltangel platenspeler. Kinderen mochten daar niet komen. Als de ‘heerbroers’ tijdens vakantie thuis kwamen, aten zij in de opkamer en werden daar door hun zussen bediend en voorzien van het zilveren bestek en het kristallen servies. Mijn vader heeft indertijd ook op ’t seminarie gezeten. Dan was ie wat. Alleen: HIJ heeft ’t nooit tot een boordje geschopt en haakte af. Dan explodeerde het voetstuk en was je voor ’t oog van ’t dorp mislukt. Hij werd naar de stad gestuurd om een baantje te zoeken, vond daar een winkel in comestibles en leerde er uitstekend cadeautjes inpakken. En vond daar mijn moeder. Pas toen hij 55 jaar was herinnerde hij zich dat er in een sigarenkistje ergens een gymnasiumdiploma zat. Hij ging sociaal-pedagogie studeren en studeerde rond zijn zestigste af. Soms duurt het heel lang vóór de details op wat foto’s worden uitgegumd.
Françoise