Dit jaar is weer zo’n jaar waarin, zoals dat zo mooi gezegd wordt ‘de dood wel erg dichtbij komt’. En dan doel ik niet op het behaalde resultaat aan coronadoden dat de nieuwslezeres me elke dag bezorgt. Zo’n juffrouw brengt weliswaar de dood wel in mijn huiskamer, maar dat blijft toch meer een cijfer. Af en toe heeft het iets van de gemiddelde temperatuur van de maand bijhouden en juichen of huiveren als we weer een record behaald hebben. En, net als bij die dodencijfers, luistert ieder daar met een ander oor naar. De boer ziet bij een vorstvoorspelling z’n fruitoogst de pietenwei opgaan, de jeugd droomt van sneeuwballengooien. Bij de coronacijfers luistert de kastelein met samengeknepen billen naar de dodendagindex omdat die bepaalt hoeveel bitterballen ie mag ontdooien voor ’t terras, terwijl een ander er het doodsgevaar aan afmeet dat onze maatschappij bedreigt. Maar, nogmaals, DIE doden bedoel ik niet als ik zeg dat de dood dit jaar wel erg dichtbij komt. Nee, er zijn in de directe kring om me heen dit jaar al drie doden te betreuren en daarbij gaat het mij beslist niet om statistiekjes. Het gaat dan niet om cijfers. Alhoewel: die doden in kleine kring waren wél alle drie 79. Complotdenkers zullen daar mogelijk een bewijs van een vooropgezet plan in zien. Ikzelf zie ’t als gevolg van de eindigheid van het leven en het omgekeerd evenredig toenemen van de kans dat ’t eindigt, naarmate je ’t langer volhoudt. Dat heeft niemand bedacht; die zekerheid heb je gewoon cadeau gekregen toen jouw start-zaadje zich verloofde met je start-eitje: die verloving houdt ooit op. Dood is doodgewoon. Dat het in ons geval toevallig driemaal om precies hetzelfde bouwjaar ging, is inderdáád toeval. Dat ‘de dood wel erg dichtbij komt’, gaat naar mijn gevoel niet over de verwondering over het onafwendbare, maar meer over onze ‘natuurlijke’ neiging om dood en doodgaan het liefst zo ver mogelijk weg te stoppen. Als de dood dan aan de deur naast de jouwe klopt, is dat bedreigend. Da’s overigens niet ‘natuurlijk’: de manier waarop we met dood omgaan is voor een groot deel cultureel bepaald. Waar vroeger eigen familie en buurt de verzorging van doden, hun afscheid, het gezamenlijk dragen van kist en droefenis als heel vanzelf oppakten, kwam meer en meer de neiging om de dood en de dode ‘uit te besteden’. Daar waren firma’s voor, die haalden de dode en zijn verzorging discreet bij je weg en met een handtekeningetje onder een contract van de begrafenisverzekering, hoefde de dood dus niet meer écht dichtbij te komen. Gelukkig kan zo’n cultuurtrend ook omdraaien. Mensen als Math Pijls en Arthur Nijsten, maar gelukkig steeds méér uitvaartbegeleiders, brengen juist het zelf doen, de eigen invulling, de warme nabijheid, -juist bij dood-, weer bij de mensen. Die, vaak tot hun verrassing, ontdekken hoe fijn ’t is ‘als de dood wel érg nabij komt’. Als die rotperiode juist daardoor als intens, eigen en warm met elkaar beleefd wordt. En dood weer doodgewoon wordt.
Françoise