In onze families lopen mijn sjattepoemel en ik niet de deuren plat. Als er wat te vieren valt is de weg naar elkaar snel genoeg gevonden en weten we een eigen vorm aan gezelligheid en bij elkaar zijn te creëren. Nog veel sneller en vanzelfsprekender gebeurt dat als er dingen fout lopen en we elkaar nodig hebben. Dat kan onschuldig zijn, de aanleg van een terras, overnemen van wat organisatie- of brainstormwerk, maar bij ziekte of dood gaat er bij iedereen een knop om. Er hoeft niets gezegd te worden, iedereen schuift met haar of zijn specialiteiten en mogelijkheden naadloos in in een heel vanzelfsprekend geheel van helpende handen. De één koopt in, assisteert, kookt, de ander schrijft overlegt, belt, de volgende is gewoon daar. Als schouder om tegenaan te leunen, als luisterend oor. Eén schrijft de teksten, de ander de enveloppen. En samen vinden we tussendoor elkaar, praten elkaars zorgen, angsten en verdriet naar een draagbaar niveau. Bij een sterfgeval worden niet alleen liters koffie omgezet en van elkaars gebak gegeten; er wordt gelachen, herinnerd, flauwekul gemaakt, herinnerd, even over elkaars arm gestreken, herinnerd…. In tijden van nood en dood is onze familie een blauwdruk van een perfecte organisatie. Niet op papier, niet bedacht, we zijn dat gewoon. Helaas heb je, als je uit grote families stamt, wat veel ervaring met de momenten dat het leven bij de één of de ander definitief zijn laatste afslag neemt. Intussen hebben al heel wat begrafenisondernemers en uitvaartverzorgers ervaring met onze familie in hoogste staat van paraatheid. Lang vóór de tijd dat dat gelukkig weer normaal werd, hadden wij de gewoonte om NIETS in handen te leggen van derden, waar wij dat zelf konden. Professionele ondersteuning bij afscheid is héél goed voor wie met de handen in het haar zit, geen idee heeft van wat er moet of kan, er alleen voor staat. Dat geldt dus niet voor ons. Veel van die professionele jongens en meisjes hebben veel moeite gehad met ons, zeker in de tijd, dat mensen hun eigen inbreng nog niet zo vanzelfsprekend claimden. Thuis opbaren, zelf afleggen en wassen, zelf dragen, eigen teksten, afscheidsdienst met de kist in ’t gemeenschapshuis, teken- en speeltafels voor de kinderen in het midden. Het werd als moeilijk ervaren, zichtbaar storend gevonden, miskenning van hun taak, wantrouwen, in strijd met de regels. We hebben ze allemaal de revue zien passeren. Ook toen zwagers de schop en pikhouweel over de schouder legden en zelf het graf van hun broer wilden graven. Ze hebben er eerst de dooiegraver voor om moeten kopen. We kwamen ook boze gezichten tegen toen we door commerciële spelletjes heen prikten. Crematoria of bedrijven die de grond in gepraat werden, omdat ze niet aan HUN bedrijf gelieerd waren. Dezelfde koets met paarden voor 2000 gulden, die wij met één telefoontje rechtstreeks bij de eigenaar bestelden voor 800 gulden. De één z’n dood… Maar veel belangrijker is: het is ONS afscheid. Gelukkig mag dat tegenwoordig. Nu dood weer wat meer doodgewoon geworden is.
Françoise