Ik vind mezelf best slim. Mijn omgeving is het daar niet altijd mee eens, maar dat kan ook aan die omgeving liggen. Zo stonden de zusters op de lagere school al niet te applaudisseren bij mijn eerste schreden op het levenspad. Het zou wat. Toen ik later wat beter begreep wat het levenspad van die nonnen zelf inhield, vroeg ik me af wie er, als het om levenspaden gaat, de slimste afslag genomen had. Ik stapte uiteindelijk in ’t huwelijksbootje van mijn sjattepoemel. Toegegeven; er zijn comfortabeler cruiseschepen, maar ik wist tenminste een beetje wie ik aan boord had. Hij heeft z’n makken, maar bracht ook een paar dingen de huwelijksboot in, waar de bruiden van de heer geen weet van hebben. Vraag is dus wie er slimmer was; ik of die vreemde wezens met sluiers en oogkleppen, die mij rapportcijfers gaven, net hoog genoeg om over te gaan, maar intussen mijn slimheid onderuit haalden. Slimheid is dus relatief en ik vind dat ik met die minimale rapporten af en toe best slim uit de hoek kan komen. Al moet ik toegeven dat ik me soms tóch afvraag of ze niet een beetje gelijk hadden. En dan heb ik het niet over momenten dat ik in verstrooidheid een keer de plank missla. Zoals toen ik na het theezetten het theezakje wilde weggooien, de pedaalemmer opende, de pot met thee in de bak flikkerde en met het builtje aan een touwtje in de hand stond. Kan gebeuren. En klinkt dom. Geef ik toe. Of het moment dat mijn stofzuiger het begaf en we een nieuwe kochten. Mijn jongere zusje kreeg de ouwe. Die woonde kersvers met een handige knaap samen; die kon ‘m misschien maken. Later zei ze dat ’t gelukt was. ‘De zak was vol’, zei ze. Met een nieuwe zak deed ie ’t prima. Kijk, dát zijn momenten, dat ik de mogelijkheid toch niet helemaal uitsluit dat de voorspelling van zuster Albertien een beetje klopte, ‘dat het nooit wat met me zou worden’. Ik heb laatst weer aan zuster Albertien gedacht. We hadden een nieuwe wasmachine gekocht. Een hartstikke dure. Er is geen betere. Zo een. Na drie wasjes, begon ’t ding opeens een klere-herrie te maken bij ’t centrifugeren. Geschrokken dat ding uitgezet, mijn schat erbij gehaald. Er was duidelijk iets helemaal fout. Het bedrijf opgebeld en, keurig en zonder discussie, brachten ze een nieuwe. Opgelost. Na drie wasjes opeens weer een hels gerammel. Wéér ’t zelfde euvel. Opeens zag ik dat de stoffer en blik die ik boven het apparaat in een rekje had hangen, door de trilling in een hoek schoof en daar tegen de wand van het apparaat begon te lawaaien. Ik had die vorige dus voor niks terug gestuurd. Er was inderdaad geen betere. Het lag aan mij. In een flits zag ik zuster Albertien meewarig het hoofd schudden en zeggen ‘Als je wéét dat je dom bent, is er nog hoop’. Zie je, zelfs Albertien zegt ‘t: een béétje slim ben ik toch.