Ik werd uitgenodigd bij de herdenking van Willy Dols in Sittard. Als jullie nou roepen ‘Wie in vredesnaam is nou Willy Dols?’, zitten jullie in hetzelfde legioen cultuurbarbaren als ik, vóórdat ik uitgenodigd werd. Dat is voor Sittardse kenners van het Limburgse dialect waarschijnlijk een regelrechte hoofdzonde. Willy stond in brede kring te boek als een begaafd neerlandicus en dialectoloog. Zelfs na zijn dood werd er nog werk van hem gepubliceerd. Het proefschrift ‘De Sittardse diftongering’. Bij menig Veldekelid zal zo’n titel als muziek in de oren klinken. Bij mij niet. Ik houd me niet bezig met diftongering. Waarom zou ik ook. Ik weet niet eens wat het betekent. Maar ja, ik was uitgenodigd om op Willy’s herdenking te komen zingen, dus dan was het wel handig dat even op te zoeken, want de herdenking was een symposium, waarop allerlei hooggeleerde heren daarover lezingen kwamen geven. Google bracht licht in de duisternis. Althans dat dacht Google. ‘Diftongering is een klankverandering, waarbij een monoftong verandert in een diftong’. Ze hadden me net zo goed een stuk uit de gebruiksaanwijzing van een elektrische tandenborstel in het Sanskriet kunnen opschrijven. Dat had Google zelf kennelijk ook door, want ze legden het meteen uit: ‘Diftongering is het tegenovergestelde van monoftongering en tevens een vorm van breking’ Kijk, dát helpt. Die uitleg ging gelukkig nog een tijdje door ‘Diftongering gebeurt vooral met lange klinkers, dus in open lettergrepen. Enz’ Het enige wat mij bij het lezen duidelijk werd, was dat ik een middagje literaire abacadabra ging meemaken en waarschijnlijk ietsje te dom voor het symposium zou zijn. Maar ik heb afgeleerd om mezelf te snel dom te verklaren bij zaken die me geen bal interesseren. Blijft het feit dat ik het voorname gezelschap van dialectkenners moest gaan vermaken met mijn Limburgse liederen. En da’s heel gek. Ik spreek namelijk geen Limburgs. Als ik dialect spreek of zing is dat een miesmasj van Limburgs dat ik van overal uit de provincie bij elkaar heb geharkt. Laat staan dat ik daarbij de juiste diftongering zou gebruiken. Whatever ut moog zeen. Mijn vader zou zich een beroerte lachen als ie hoorde dat ik in Veldekeachtige kringen werd uitgenodigd om Limburgs te zingen. Ik ben weliswaar geboren in Roermond, maar thuis werd Huilands gemoeld. Op straat kreeg je wat dialect mee, maar, zoals gezegd, wat grabbelwoorden. Iets later kreeg ik er wat meer kijk op en leerde dat er een groot verschil was tussen het Roermonds ‘Euver de Breer’ en ‘aan de gooje kantj’. De taal verschilde als je aan de andere kant van ’t spoor woonde. Ik zat aan de verkeerde kant. Dat werd nog erger omdat ik vrijwilliger werd in ’t Wiekhoes in de Krententuin. Daar was de voertaal Bargoens. Ik leerde er van de kinderen perfect schelden in ’t Limburgs. ‘Sjaele veeruiger’ (brildrager), “Giepse Jozef’ of ‘Laere Christus’ (heilig boontje), ‘Piccalillyreet’ (frietvreter), ‘Votplevuus’ (gewoon een stommerik). En niks over diftongering. Maar ik ga ze in Sittard overhoren over Sjaele veeruiger. Want dát weet IK dan weer.