Laatst nam ik deel aan een rondleiding in het heringerichte klooster Wittem. Het complex is epicentrum van devotie en bezinning. Wie mij kent, vraagt zich meteen af ‘Devotie en bezinning? Wat heeft ZIJ dan daar te zoeken?’ Goeie vraag. Antwoord is: Niks. Maar ik vind er wel veel. Bijvoorbeeld de geweldige, of liever overweldigende, bibliotheek. Eén van de mooiste cultuurpodia in de omgeving, die ik ken. Ik heb er al van menig concert of ander evenement mogen genieten of er zelf een optreden mogen verzorgen of presenteren. Die imponerende ruimte met z’n hoge houten cilinderplafond, rondom galerijen met eindeloze boekenwanden boven elkaar, in alle windrichtingen prachtige houten wenteltrappen, meesterstukjes van eerlijk handwerk van twee broeders. Maar ook de rest van het gigantische kloostercomplex roept bij mij prettige gevoelens op. Het krijgt nu grotendeels een heel andere functie, maar devotie en bezinning houdt er duidelijk zijn plek. Niet meer in de omvang van vroeger, toen er week na week honderden pelgrim-bussen op de parkeerplaats stonden. Maar tientallen brandende novene- of devotiekaarsen bewijzen dat met name Gerardus en Maria er nog iets van hun historische aantrekkingskracht behouden hebben. Misschien vraag je nu ‘wat moet zo’n kerkelijk onverschillige met Gerardus en Maria’. Wederom is het antwoord: Niks. Mijn vader heette weliswaar Gerardus en mijn moeder Maria, maar het geheim zit er veel meer in dat die beiden, en met name mijn moeder juist wél die band met devotie en bezinning hadden en dat dat binnen hun gezin een hoofdrol speelde. Ik heb van menige novene nu nog putjes in de knieën van de harde kokosmat waar we op knielden als we negen dagen lang elke avond de rozenkrans baden. Wij hadden in Roermond toevallig óók een Redemptoristenklooster en paters en broeders daarvan kwamen regelmatig bij ons over de vloer. Vandaar dat het klooster Wittem bezoeken ook aanvoelt als een trip naar mijn Rijke Roomsche Verleden. Een aangename trip omdat Redemptoristen, ook als ze nog maar een paar laatsten der Mohikanen zijn, een directe lijn hebben naar Mamma en haar rotsvaste geloof. Bij de rondleiding door klooster Wittem, ontdekte ik dat ze de doopkapel rigoureus hadden veranderd. De Piëta die er vroeger centraal stond was nu vervangen door Clemens. Mijn moeder had een band met die heilige Redemptorist. Clemens was de Patroon in Hopeloze Zaken. Mijn moeder geloofde vast dat Clemens bij ons thuis alles op de rails hield. Alle kinderen hadden ook Clemens in hun rijtje voornamen. Clemens stond op een Perzisch tapijtje op het dressoir. Dat was zo’n wankele ondergrond dat hij regelmatig omkukelde en zijn hoofd of een armpje verloor. Dat werd door een zwager regelmatig en niet erg deskundig gerestaureerd. Ik geloof dat ie wel eens ’t linkerarmpje rechts geplakt heeft. Maar mijn moeder was hartstikke blij toen juist IK haar vroeg of ik DAT beeldje mocht hebben. Omdat ik vond dat dat DE herinnering aan haar was. En zij was helemaal in de wolken. Waarschijnlijk omdat ik Hopeloze Zaak ben en Clemens dat wel even zou fiksen. Met links.
Françoise