De goede buur, die beter zou zijn als je verre vriend, kennen we allemaal. Het is één van de vele zegswijzen die ik als kind makkelijk kon onthouden. Buren, hielpen als je een nieuw tuinpad ging maken waarvoor de loeizware tegels door de brandgang je achtertuin in getransporteerd moesten worden. Of als een oud schuurtje in elkaar geramd moest worden en een buurman met een grote voorhamer kennelijk zijn agressie ruimschoots kon kwijtraken. Dat waren klussen waarbij vele handen uit de straat zorgden dat ’t licht werk was. Buren waren er ook als er iemand wegviel in de straat. Bij een sterfgeval gingen er een paar vrouwen langs de deur en haalden geld op voor de krans van de buurt of voor heilige missen. Ik was zelf niet gelovig, maar ook aan heilige missen deed ik ruimhartig mee. Het ging niet om pastoor of de kerk, het ging om Sjaak of Ans, omdat die er niet meer was en dan hielp ’t als er vanwege de buurt veel missen voor Sjaak of Ans waren. Dat was een steun voor de weduwe of achterblijvende kinderen. Maar er was ook Mia, die al tijdens An’s lange ziekbed voor maaltijden had gezorgd, Hilde, die de was deed, Herman, die de dieren verzorgde. Ze gingen even om, met een zelfgebakken cake voor het rouwbezoek, of kwamen even langs om te vragen of ze nog boodschappen moesten meenemen. Een goede buur was beter dan een verre vriend. En die buren tipten je, als je de lichten van je auto had laten branden, ze vingen je kind op dat van school kwam, als jij die middag voor een onderzoekje naar het ziekenhuis moest, ze gaven de plantjes water en haalden de post uit de bus als je op vakantie was. Goede buren kon je voor iets vragen als je ze nodig had, of die boden zich aan als ze wisten dat je hulp kon gebruiken. Dan kwamen ze; Dré en meneer Herkens van nummer 24 , of Annie, de ouwe Pa en Ma Beurskens, Lisa met d’r hondje of de grotere kinderen van de familie Brekelmans. Je kende ze allemaal. Met naam en toenaam. Je wist waar ze werkten, in de meeste gevallen ook wie hun ouders waren en uit welke familie ze stamden en anders uit welk vreemd deel van het land ze in ’t dorp waren beland en waarom. En ze wisten ook alles van jou. Ook als ’t niet klopte. Dat je waarschijnlijk in verwachting was als ze zagen dat je sjattepoemel ’t kleine kamertje aan ’t behangen was. Aan al die dingen moest ik laatst denken toen ik van de vrouw naast ons hoorde dat die meneer van tegenover niet verhuisd maar dood was. Drie weken geleden. Die, eh, zeg even gauw…eh Jacobs? Jaspers? , die met die gele Volkswagen. En dan zeg jij. ‘Volgens mij is dat geen Volkswagen, maar een Renault’. ‘Zou kunnen’ zegt de vrouw van bij ons naast dan, stapt in haar auto en knikt als ze wegrijdt.
Françoise