Als je tot de zeventigers behoort, is het niet vreemd dat je al menig keer van dichtbij hebt meegemaakt, dat mensen het tijdelijke met de eeuwigheid verruilden. Zeker nu jouw generatie ‘aan de beurt is’. Intussen groeide de ervaring met dood en doodgaan. We werden in onze families steeds bedrevener in afscheid en het elkaar steunen in de weg ernaar toe. We hielden niet van de standaardverhaaltjes waarmee mensen uitgezwaaid werden. Soms werd onder dat vermaledijde motto ‘van de doden niets dan goeds’ in een uitvaartdienst een beeld van de overledene opgetuigd, dat je deed vrezen dat je in de verkeerde begrafenis beland was of dat er een ander in de kist lag, dan degene die jij gekend had. Terwijl iedereen wist wat de rottrekjes van dooie Gerard waren geweest en dat zijn ‘godsvruchtige levenswandel’ af en toe langs paden was gegaan waar godsvrucht niet het standaard plaveisel was geweest, zoals de pastoor dat in zijn terugblikpreek suggereerde. Om te voorkomen dat bij afscheid in onze families datzelfde zou gebeuren, namen wij al vanaf de zeventiger jaren het heft in eigen hand en maakten onze eigen teksten, zongen eigen liederen, delfden zelf het graf, bouwden sfeer die echt bij de overledene hoorde en vertelden herkenbare verhalen die troost boden, vaak net juist omdat ook het eerlijke verhaal van de achterkant van iemands karakter besproken werd. Vrij snel werd onze familie bedreven in het plannen en uitvoeren van alles wat er bij kwam kijken. Ieder pikte als vanzelfsprekend de rol in dat geheel, waar hij of zij goed in was. De een maakte teksten, de andere stortte zich op formulieren en financiën, de ander schikte bloemen, dook in de catering, schreef de enveloppen, droeg de kist, zong, musiceerde, ontving gasten, steunde wie ’t allemaal te veel werd, zette liters koffie en stelde lichtbeeldseries samen. En onderwijl letten we op elkaar, of mensen een extra hand in de rug nodig hadden, even een arm om de schouder, wij waren en zijn een team, waar menige DELA-afdeling niet over beschikt. Sterker: dat interventieleger komt lang vóór het uiteindelijke afscheid in actie: zo gauw duidelijk wordt dat iemand zich onafwendbaar richting uitgang begeeft, verzamelt het legioen zich en duikt waar nodig zelf in de zorg. ‘Wat we zelf kunnen, behoeft geen vreemde hand’, ziekenzorg in de eindfase; ook daarin vervult ieder zijn rol. En daarin ontdekken we, dat juist in dat laatste moment in een relatie de intiemste momenten zitten. Mijn sjattepoemel waakte in de laatste nacht van mijn moeder bij haar. Haar ledematen waren al ijskoud en zij had doodsrillingen. Hij zette de kachel hoger, legde meer dekens op haar; niets hielp. Tot hij met een ‘Mam sjuuf’ bij haar kroop, haar warm hield en haar rustig kreeg. Toen ’s morgens de rest beneden kwam stond hij naast haar bed en zij wenkte hem met haar ogen. Hij hield zijn oor vlak boven haar mond en zij fluisterde ‘Dat höbbe die angere toch neet gezeen’. Dat soort momenten. Die levert de thuiszorg niet.